Liefde Bedreigd

Naar aanleiding van de overhandiging van het boek "liefde Bedreigd" aan Peter de Vries in het Hembrugmuseum te Zaandam.

door K.P. Wilms

Op 27 september heeft in het Hembrugmuseum te Zaandam de overhandiging plaatsgevonden van het boek "Liefde Bedreigd" dat voor een belangrijk deel handelt over de inzet van oud medewerkers van ons bedrijf als dwangarbeiders gedurende een periode van de Tweede Wereldoorlog.

Nu zijn er veel boeken over dwangarbeid in de oorlog geschreven, maar in dit geval behandelt het onder andere het wel en wee van de werknemers, die in die tijd als dwangarbeider voor de N.V. Machinefabriek Artillerie Inrichting in Duitsland werden ingezet. Via internet kan men op dat gebied ook wel het nodige lezen, maar vaak moet men zich afvragen wat de oorsprong van zo'n verhaal is.
Het boek dat door de samenstellers ter beschikking is gesteld aan onze bibliotheek zijn verhalen uit de eerste hand. De teksten zijn namelijk ontleend aan brieven die door een medewerker van de AI zelf op locatie zijn geschreven.
Deze betreffen de belevenissen van Maarten van Tent. Hij trad als negentienjarige op 11 oktober 1937 in dienst van de AI. Ten tijde van het uitbreken van de oorlog was hij woonachtig in Amsterdam en verloofd met de één jaar jongere Tinie Buter uit Monnickendam.

Een opmerkelijk toeval is het, dat Tinie in die periode leefde op het fort benoorden Purmerend. Ze maakte deel uit van het gezin Cees Buter. Hij was daar fortwachter geworden nadat hij als portier in het Rijkskledingmagazijn te Amsterdam had gewerkt.
Zo kon het gebeuren, dat de familie op 15 mei 1942 om die reden naar Purmerend verhuisde nadat onze Maarten van Tent op 14 mei 1942 in de trein op weg was naar Berlijn. Met honderden collega's gingen ze er een onbekende toekomst tegemoet. Hij zelf beschreef, dat ze werden "gedeporteerd en tewerkgesteld".

Vanaf de eerste dag werden er (voor zoveel dat werd toegestaan) door beiden brieven aan elkaar geschreven. Een groot deel ervan is steeds bewaard gebleven en opgeborgen in een kastje op de zolder van hun huis te Zaandam. De meeste waren voorzien van de originele enveloppe met datumstempel en adressen erop. Als onderdeel van de nalatenschap zijn de brieven in handen gekomen van hun dochter. In eerste instantie bestond er een bepaalde terughoudendheid om de brieven te gaan lezen, maar rond 2010 werd toch af en toe een brief geopend.
De inhoud zorgde niet alleen voor de nodige emoties. Het was duidelijk en begrijpelijk, dat de beschrijving over hun leven dieper ging dan koetjes en kalfjes. Een groot deel kan worden betiteld als historisch waardevol. Daarbij moet worden bedacht, dat binnen het gezin van Tent en net als in zoveel gezinnen niet werd gesproken over de traumatische ervaringen van de oorlog. Slechts enkele facetten zijn mondeling door beide ouders in de herinnering gebleven en in het verhaal opgenomen. De inhoud van de brieven bleek dus het enige wat 100% duidelijkheid over die periode kon verschaffen. Voor navraag bij familieleden uit die tijd was het te laat. In enkele gevallen leverde een aantal nabestaanden nog waardevolle foto's en aanvullende informatie op.

De omvang van de "schat" besloeg 307 brieven en kaarten over een periode van drie jaar. Daarnaast hebben er met zekerheid nog 70 brieven bestaan waarvan moet worden aangenomen dat ze letterlijk in de strijd zijn gesneuveld. Vanaf 1 januari 1945 was het niet meer mogelijk om brieven aan elkaar te versturen.

Ruim drie jaar gelden werd door de lezeres van de brieven geconcludeerd, dat de inhoud ook voor de overige familie van belang is. Besloten werd daarom om samen met haar echtgenoot een voor een ieder leesbaar verhaal te produceren. Over de betrokken periode is op die manier een beeld gevormd van het leven van Tinie in de Beemster en Monnickendam en dat van Maarten in Berlijn.
Nu het boek na drie jaar gereed is zijn de opstellers ervan overtuigd geraakt, dat zowel de situatie op het fort te Purmerend als dat van de situatie in Berlijn (en Hannover) op zich verhalen vormen voor geïnteresseerden. Voor wat betreft Maarten werd dan vooral gedacht aan zijn collega's. De direct betrokkenen zullen weinig in getal zijn, maar ook de kinderen en kleinkinderen hebben in veel gevallen de behoefte om meer over deze periode te willen weten.

Het is vooral deze gedachte die de schrijvers ertoe hebben gebracht om een exemplaar van dit typisch familieboek ter beschikking te stellen aan het Hembrugmuseum om het daar een plaatsje te geven in de bibliotheek. In het boek is een lijst met namen opgenomen van collega's zoals die genoemd werden in de brieven. Vooral in die van Maarten. Soms betreft het de volledige naam en vaak ook alleen de voornaam of familienaam. Voor geïnteresseerden een mogelijkheid om de bijbehorend teksten daarna te raadplegen. Een lijst met namen is separaat beschikbaar bij de leiding van het museum.

Ter oriëntatie in het kort de verblijfplaatsen van Maarten in Berlijn en Hannover.
Op 16 mei 1942 komt de groep aan in Finkenbrug, RMB-lager Falkensee. Ze komen voor een groot deel te werken bij Rheinmetall-Borsig A.G. te Berlin Tegel.

Op 27 juni 1942 verhuizen ze naar een lager nabij de fabriek in Berlin Tegel. Het Lager am Hafen, Stube 102. Daarna wordt er er nog meerdere malen in Tegel verhuisd van lager.
Op 1 mei 1943 is er sprake van een adreswijziging: Gemeinschaftslager am Hafen, Wilkesstrasse, kamer 102.

Op 18 september 1943 betrekt hij het Steinberg Lager B, Waidmansluster Damm, Barack 1 Stube 2.

Op 26 november 1943 wordt, na de vele bombardementen op Berlijn, dan ook de fabriek van Borsig in Tegel het doelwit. Veel blijft er niet van over en door een aantal mannen wordt besloten om als een kleine groep te vertrekken. Te voet richting Holland. Het duurt een paar dagen als ze worden opgepakt. Ze worden tewerkgesteld in het zwaar gehavende Hannover. 85% van de stad is verwoest. Daar valt de groep ook deels uit elkaar. Voor Maarten is er vanaf 30 november 1943 een onderkomen in de Werner Fischerstrasse 34, Hannover 1.

Op 26 februari 1944 moeten de meesten weer terugkeren naar Berlin Tegel. De fabriek staat nog voor 25% overeind. Geoordeeld wordt dan, dat er weer gewerkt kan worden. Als onderkomen wordt aangewezen GBI Lager 8, Z9, Br.1, Seidelstrasse te Berlin-Reinickendorff W.

Vanaf 14 juni 1944 komt hij terug in Tegel. Gemeinschaftslager, Bernauerstrasse, Haus 3, Z 19. Op 22 juni wordt dit Wohnheim West genaamd.

Tussen 19 augustus 1944 en begin 1945 neemt hij regelmatig zijn toevlucht bij particulieren. Meestal beschadigde huizen, maar beter beschut dan het Wohnheim West.

Op 20 maart 1945 is het zeker, dat hij verblijft in een lager aan de Bernauerstrasse 96 te Berlin Tegel. Vanuit dit adres is het voor Maarten fysiek mogelijk om na de bevrijding en na een verplichte herstelperiode op 22 augustus 1945 naar Holland te gaan.

Op 30 augustus 1945 komt hij aan in Oosthuizen, waar zijn Tinie (inmiddels zijn vrouw) met haar ouders is gaan wonen. De werkzaamheden op het fort waren voor hen na het inrichten van het fort als gevangenis niet meer gewenst.
Voor Maarten breekt een moeilijke periode aan van geestelijk en fysiek herstel. Eerst op 19 maart 1946 wordt hij voldoende hersteld bevonden om de werkzaamheden voor de Artillerie Inrichting weer op te pakken.
In 1977 beëindigt hij zijn loopbaan bij de AI.

Mochten nabestaanden geïnteresseerd zijn, dan kunnen zij dat te kennen geven bij de leiding van het museum. Daar zal men zorg dragen voor contact met de schrijvers Susanna Marianna van Tent en Piet Wilms.
Zij hebben te kennen gegeven dat bij voldoende interesse een samenvatting van het verhaal uit de brieven van Maarten van Tent gemaakt kan worden.

Reageren kan niet.