Aardappeloproer 1917

100 jaar geleden kwamen vrouwen en arbeiders ook op het HEMbrug in opstand tegen honger en armoede. 100 jaar na het Aardappeloproer is het een unieke kans voor kinderen om kennis te maken met de aardappel als voedsel, maar ook om er proefjes mee te doen, van verf tot aardappelschieter. Ieder kind neemt zijn eigen geplante ‘aardappelplant’ mee naar huis.

Zaterdag 1 juli | 14.00-15.30 uur en 15.30-17.00 uur | Hemlab, Grote Hulzen 40, Zaandam | kind ca. 7-13 jaar: € 7,50; volwassene (optioneel): € 5,- | Reserveren via www.hemlab.nl/aardappeloproer

Activiteiten Amsterdam: Festival 100 jaar Aardappeloproer

De Geschiedenis van het Aardappeloproer 1917

Aardappelen, steenkool en Hembrug

Dinsdag 28 juli 1914
Als in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, blijft Nederland neutraal. Nederland mobiliseert een leger van 237.000 man sterk. Begin 1914 werken er ongeveer 1500 arbeiders bij de wapen- en munitiefabriek Artillerie Inrichtingen Hembrug.

Dit betekent echter niet dat de bevolking geen nadeel van de oorlog ondervindt. Doordat de ons omringende landen met elkaar in gevecht zijn valt de buitenlandse handel weg. Hierdoor worden de eerste levensbehoeften schaars en de prijzen lopen enorm op. De huren stijgen en ook de werkloosheid neemt toe. De armste buurten in Amsterdam: de Jordaan, Spaarnedammerbuurt en de Oostelijke Eilanden, hebben het zwaarst te lijden.

1916
Naarmate de Eerste Wereldoorlog langer duurt, wordt voedsel- en brandstof in Nederland steeds nijpender. Vooral de aanvoer van graan en steenkool uit Amerika wordt bemoeilijkt door het gevaar van Britse zeemijnen en Duitse onderzeeboten. In het begin van de oorlog heeft de regering een uitvoerverbod voor allerlei voedselwaren uitgevaardigd en in 1916 wordt de distributie van voedsel ingevoerd. De overheid stelt maximumprijzen vast om de zwarte handel tegen te gaan.

De Nederlandse steenkoolmijnen produceren te weinig steenkool en Nederland moet in ruil voor steenkool, aardappelen en vlees leveren aan Duitsland. Steenkool is onmisbaar voor de Nederlandse industrie en voor de stroomvoorziening van de bevolking. De Britten op hun beurt eisen een zelfde hoeveelheid aardappelen en vlees op grond van de Nederlandse neutraliteit. Dus zien met name de arme Amsterdammers en Rotterdammers geregeld scheepsladingen aardappelen naar Engeland en treinen met koeien of aardappelen naar Duitsland vertrekken, zonder dat zij er iets van krijgen. In 1916 neemt de sterfte van vrouwen en kinderen door ondervoeding en tuberculose dan ook schrikbarend toe.

Halte Hembrug

Februari 1917
In 1917 wordt de absolute productie top bereikt bij de munitie- en wapenfabriek op Hembrug. Er werken dan liefst 8500 mensen.

Veel “Losse flodders”, losse arbeiders, komen uit Amsterdam met name uit de Spaarndammerbuurt. Arbeiders uit Amsterdam reizen vanaf de halte Zaanstraat met trein naar Halte Hembrug. Er wordt gewerkt in twee ploegen, 12 uur per dag en 6 dagen per week. De dagploeg werkt van 8.30 uur tot 20.30 uur en de nachtploeg van 20.30 uur tot 8.30 uur.

Er is een munitieafdeling van de Artillerie Inrichtingen gevestigd op de Marinewerf in Amsterdam en aan de overzijde van het Noordzeekanaal is een springstoffenfabriek opgestart.

De winter van 1916-1917 is bijzonder streng en voor je portie brandstof moet je uren in de rij staan in de bijtende kou. Brood wordt begin 1917 gerantsoeneerd met vier ons per dag per persoon. Het brood dat van overheidswege wordt verstrekt bevat leng, een bacterie in het meel dat het brood tijdens het bakken verandert in een zure, draderige substantie. Begin februari zijn de akkers nog stijf bevroren en de eerste aardappelen worden pas weken later gepoot.

Donderdag 31 mei 1917
Het aardappelen tekort wordt steeds zorgwekkender. Op 31 mei spreekt de regering met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de burgemeesters van de drie grote steden af dat de rantsoenering van aardappelen niet onderbroken mag worden en dat de aardappelen niet meer dan 10 cent per kilo mogen kosten. De minister van Landbouw zegt deze afspraak echter zonder overleg weer op. De aardappelen komen weer op de vrije markt, zodat de prijzen opnieuw stijgen. De burgemeesters protesteren in Den Haag en denken dat het wel goed komt. Maar dat pakt anders uit: er komt namelijk geen nieuwe rantsoenering van aardappelen!

Juni 1917
De oude aardappeloogst is vrijwel op of gehamsterd en de nieuw geoogste aardappelen zijn er nog niet. En een maaltijd zonder aardappelen is ondenkbaar. In de armste gezinnen zijn aardappelen de voornaamste voedselbron. Er verschijnt slechts mondjesmaat groente op het menu en vlees is er vrijwel nooit. Vrouwen uit de gegoede klasse proberen door middel van kookdemonstraties arbeidersvrouwen warm te krijgen voor het gebruik van peulvruchten en rijst, om zo minder afhankelijk te zijn van de steeds minder goed verkrijgbare aardappel. Bij de Centrale Keuken is een verantwoorde maaltijd voor een klein bedrag te verkrijgen. Arbeidersvrouwen vinden deze bemoeienis met hun eetgewoontes paternalistisch en dat wekt irritatie op. De Centrale Keuken, ook wel schamper “De Centrale Trog” genoemd, blijft dan ook vaak zitten met gerechten met rijst en peulvruchten.

De schaarste van het belangrijkste volksvoedsel leidt tot protesten en plunderingen. Eerst in Amsterdam en later ook in Rotterdam en den Haag. Wie over genoeg geld beschikt kan op de zwarte markt nog wel aardappelen kopen, maar voor de armere bevolking is dit niet weggelegd.

In juni 1917 regent het heel veel, waardoor de aardappelen niet geoogst kunnen worden. De eerste aardappelen die nat en met veel klei uit de grond worden gehaald gaan als eerste naar de Britten. In de haven van Rotterdam worden ze echter door de Britten afgekeurd, omdat ze te klein en te rot zijn. Om dezelfde reden weigert de gemeente Amsterdam ze naar Amsterdam te vervoeren. Uiteindelijk worden de aardappelen onder de Rotterdamse bevolking verdeeld, waardoor meer rellen daar uitblijven. De export van aardappelen naar Duitsland en Engeland gaan daarna weer gewoon door.


Donderdag 28 juni 1917
Om negen uur ’s ochtends is er op de Amsterdamse Groenmarkt geen aardappel meer te krijgen. Er wordt gefluisterd dat de nieuw geoogste aardappelen bestemd zijn voor uitvoer naar het buitenland. Er gaan geruchten over groenteboeren die mandjes aardappelen achterhouden voor hun vaste klanten. Op diezelfde dag ligt aan de Prinsengracht een dekschuit met aardappelen afgemeerd, bestemd voor het garnizoen soldaten dat in Amsterdam is gelegerd. Een groep vrouwen loopt door de stad en ziet de schuit liggen. De aardappels liggen open en bloot en de vrouwen zien hun kans schoon. Ze intimideren de bewakers van de boot en in een mum van tijd is de schuit leeggehaald en lopen de vrouwen met de aardappels in hun schorten naar huis. Diegenen die te laat komen, vormen een groep en gaan op zoek naar pakhuizen, waar misschien aardappels liggen, en proberen die open te breken. De politie probeert in te grijpen en gaat met de vrouwen in gesprek. Daarop besluit een aantal vrouwen om onder politiebegeleiding naar het gemeentehuis te gaan om beklag te doen over hun situatie. De aanwezige wethouders vertellen dat zij zojuist per telegram aan de regering hebben verzocht om onmiddellijke hervatting van de rantsoenering en om een rechtvaardige verdeling van de aanwezige voorraden. De vrouwen wordt op het hart gedrukt dat ze vertrouwen moeten hebben in het gemeentebestuur, er wordt aan gewerkt en tot die tijd moeten de vrouwen zich nog even behelpen met rijst en erwten. Daarop zegt een van de vrouwen: “Als ik me man dat voorzet krijg ik op me donder!”

Zaterdag 30 juni
Op zaterdagochtend 30 juni vertrekt wederom een delegatie van wel meer dan 500 vrouwen, dit keer van de Oostelijke Eilanden, naar het gemeentehuis om hun beklag te doen over het schamele portie aardappelen dat hen is toebedeeld. Per gezin nog geen kwart kilo. Bovendien zijn de aardappels bevroren geweest en dus in slechte staat. De burgemeester zegt dat de aardappelen als je ze kookt nog wél goed zijn. Daarop neemt mevrouw P. van Stek-Punt zo’n aardappel in de hand en knijpt hem uit boven het bureau van de burgemeester met de woorden: “Rauw heb ik ze nog nooit gegeten”. De dames besluiten naar de Rietlanden te gaan, waar ze treinen met aardappelen bestemd voor Duitsland weten te staan. Onderweg sluiten veel vrouwen zich bij de groep aan en ze scanderen: “Aan de Rietlanden staan wagons met aardappelen!!! We gaan ze halen!”

Vrouwen in de rij voor voedsel bij Hongeronlusten te Amsterdam 1917.


Als de politie de groep vrouwen in de verte aan ziet komen laat een van hen snel de slagboom bij de overweg aan de Cruquiusweg zakken. De vrouwen dringen aan achter de slagboom en de dienstdoende inspecteur van de politie, dhr. Joosten, besluit dan om de aardappelen uit een van de wagons te verkopen: Per 2 kilo voor de op dat moment gangbare prijs desnoods op krediet. Voorwaarde is wel dat één vrouw ervoor moet zorgen dat alles ordelijk verloopt. De vrouw die zich opwerpt is P. van Stek-Punt die ’s ochtends ook al aanwezig was op het gemeentehuis. Zij is een vertrouwd gezicht in de buurt, heeft organisatietalent en overwicht. Ze is een potige vrouw die overal op afgaat. Op de foto die verschijnt in weekblad Het Leven, staat zij afgebeeld voor de slagboom met haar handen op de rug. Het lijkt alsof ze is geboeid, maar de sfeer is echter verre van grimmig. De vrouwen staan lachend achter de slagboom en de agenten poseren ontspannen voor de foto. Niets op deze foto doet vermoeden dat de zaak later in de week alsnog uit de hand loopt.

De foto is genomen op de Groenmarkt in Amsterdam We zien op de achtergrond een charge van de politie bij een plundering van aangevoerd eten (foto Het Leven).

Maandag 2 juli 1917
Maandagmiddag verzamelen meer dan 1000 vrouwen zich op de Dam voor een demonstratie. Er sluiten ditmaal ook jongens en mannen aan en er zijn inmiddels ook uit solidariteit wilde stakingen uitgeroepen bij o.a. De Koninklijke Lloyd en bij Hembrug.

De stoet zet zich in beweging richting de Jordaan. Hier loopt het uit de hand. De menigte valt uit elkaar en groepjes vrouwen breken pakhuizen open en plunderen dekschuiten. De voorhoede wordt toegesproken door socialistische leiders en wordt opgeroepen om naar huis te gaan. De massa trekt echter haar eigen plan. De politie heeft het niet meer in de hand en voert verschillende charges uit. De onrust verplaatst zich vervolgens naar de Oostelijke Eilanden. Op de Oostelijke handelskade worden stilstaande treinen en pakhuizen geplunderd door groepjes vrouwen. Als de politie verschijnt worden zij bekogeld met grote stenen en er is een barricade opgericht van trottoirbanden. De politie moet zich noodgedwongen terugtrekken naar het Kattenburgerplein. en dan besluit de hoofdcommissaris militaire versterking te vragen. Omdat het in de Czaar Peterstraat op dat moment ook onrustig is, wordt besloten om via de Czaar Peterstraat richting de Oostelijke Handelskade op te trekken. Als de militairen de straat in lopen wordt de doorgang echter belemmerd door een grote menigte toegestroomde mensen. De militairen sommeren de mensen hun ramen te sluiten, maar er wordt teruggeroepen: “Moordenaars , gooi je geweren neer.” Mevrouw van Stek-Punt is ook weer aanwezig. Volgens ooggetuigen gaat zij voor de soldaten staan, trekt haar bloes open en roept: “soldaat schiet, maar vreten motten we hebben voor onze kinderen.” De militairen krijgen bevel om op de bevolking te schieten maar weigeren dit. Later verklaart een van de militairen voor de krijgsraad dat hij niet wilde schieten, omdat het goed mogelijk was dat zijn vader of moeder zich onder de oproerkraaiers bevond. Veel van de dienstplichtige militairen waren namelijk afkomstig uit Amsterdam.

Dinsdag 3 en woensdag 4 juli 1917
De politie en militie worden door de bevolking uit de arbeidersbuurten meer en meer getart en uitgedaagd. En het gaat allang niet meer alleen om aardappelen. Inmiddels zijn ook de zogenaamde ‘spekkarren’ die met varkensvlees naar het abattoir rijden een doelwit en worden schoenwinkels en sigarenwinkels geplunderd. Na het debacle in de Czaar Peterstraat worden dienstplichtigen van elders gehaald die wel met scherp schieten. Als de eerste doden vallen, vaak onschuldige voorbijgangers die toevallig in de buurt waren, verandert de stemming onder de oproerkraaiers en verflauwt het animo om te plunderen.

Op de foto verlaten werkwilligen onder politiebegeleiding het treinstation.

Woensdag 4 juli 1917
Op Hembrug, Tegen half 4, als het weekloon uitgedeeld wordt, wordt bij verschillende ploegen het werk neergelegd. De werklieden in de oude en nieuwe smederij geven het sein. Daarna slaat de beweging over naar het wapendepót, het mobilisatiegebouw en de grote frezerij. Langzaam trekken de stakers in groepen het fabrieksterrein over en de poort uit. De werklieden die militair zijn, worden bij het verlaten van het terrein op bevel gesommeerd zich onmiddellijk op het bureau der 1e Werklieden Companie te Amsterdam te melden. Een sterke patrouille soldaten zorgen ervoor, dat de fabrieksterreinen niet meer door stakers betreden kan worden. Degenen die aan het werk blijven zijn voor het merendeel Zaandammers. In een lange file trekken de stakers door de IJpolder naar Amsterdam.

Voor de nachtploeg blijven, van de Amsterdamse werklieden, ongeveer 1000 man weg. Uit de lange trein, die kwart over acht aankomt, stapt niet meer dan 150 man uit. Het is echter zeer de vraag of deze morgen terug kunnen gaan.

De arbeiders doen bij de directie direct verslag: ”Een aantal werklieden die al in de trein plaats hadden genomen, waren uit vrees voor molest weer uitgestapt. Toen de trein de Zaanstraat verliet vlogen grote stenen door de ruiten. Sommige werklieden zijn veiligheidshalve onder de bank gekropen.” De werkwilligen, die zich gesteund voelen door de vakbonden, vrezen voor de terugreis naar Amsterdam. Zaandammers zijn, op een heel enkele uitzondering na, allen om half negen op het appèl. Ook zij houden zich aan de vakbonden, die geen staking hebben uitgeroepen.

Donderdag 5 juli 1917

De minister van Oorlog heeft bepaald dat op Hembrug vrijdag en zaterdag niet wordt gewerkt in verband met de ongeregeldheden. Zij die niet staken krijgen deze dagen betaald. Voor hen gelden deze dagen als verlof.

Op donderdagochtend krijgt Amsterdam 5000 mud (500 kubieke meter) aardappelen binnen. Voldoende voor een rantsoen van een half kilo per persoon. De rondtrekkende vrouwen keren terug naar hun huizen en de stakers gaan weer aan het werk.

Alleen bij de wapen- en munitiefabriek op Hembrug zijn nog problemen. Niet iedere arbeider heeft vernomen dat er tot maandag niet gewerkt hoeft te worden. Dienstplichtige militairen die in de fabriek werken zijn onder de wapenen geroepen om de fabriek te beschermen. De overige werknemers staken totdat iedereen als gelijke arbeiders de fabriek weer in kan. Alle onduidelijkheid leidt er toe dat het de hele dag onrustig is in de Haarlemmerbuurt en 's avonds op het Haarlemmerplein komt het tot een treffen tussen stakers en werkwilligen, arbeiders en politie. Een groep Hembrug-arbeiders die op weg is naar de nachtdienst wordt door stakers zodanig lastig gevallen, dat de politie moet ingrijpen met als resultaat 9 doden en meer dan 100 gewonden.

Zaterdag 7 juli 2017
Hoewel de vakbonden de wilde staking op Hembrug niet steunen zien ze wel kans gezien om met de minister van Oorlog te overleggen over de ernstige toestanden op Hembrug en op de munitieafdeling van het bedrijf op de Marinewerf te Amsterdam: zo leidt directeur van Dam de munitiefabriek zeer autoritair en zonder tegenspraak; er is geen mogelijk om te klagen en met de hygiëne is het in de overbevolkte fabriek zeer slecht gesteld; de op handen zijnde loonsverhoging is maar voor een deel van de arbeiders. De minister geeft aan dat er binnenkort een wijziging in de directie komt, dat bedrijfschefs klachten in ontvangst gaan nemen en dat deze serieus door de directie behandeld gaan worden. En dat de loonsverhoging voor alle arbeiders gaat gelden.

Maandag 9 juli 1917
Op maandagmorgen vertrekken de Amsterdamse arbeiders als gewoonlijk weer vanaf het station Zaanstraat naar Hembrug. Alle arbeiders nemen weer in de treinen plaats, zonder dat zich enig incident voordoet.

Reageren kan niet.